Verschillen tussen deelsectoren, naweeën Midden-Oosten
Achter het gemiddelde herstel gaan aanzienlijke verschillen tussen deelsectoren schuil. De verspanende toelevering en de oppervlaktebehandelende bedrijven springen er dit kwartaal positief uit. Ook onderhoud, service en installatie en de handel noteren per saldo een positief beeld. De machine- en apparatenbouw en de plaatbewerking delen daarentegen nog niet in het herstel.
Het herstel bij de verspanende toelevering past bij het beeld in de halfgeleiderketen. Nadat grote afnemers in die keten een periode minder inkochten, trekt de vraag sinds eind vorig jaar weer aan: grote toeleveranciers rapporteren sinds begin dit jaar een duidelijk herstel van de orderinstroom, en ook defensieopdrachten dragen bij aan de vraag naar toeleverwerk. ASML verhoogde medio juli bovendien zijn omzetverwachting en kondigde een forse uitbreiding van de productiecapaciteit aan, wat de vooruitzichten voor de keten verder ondersteunt. De verspanende deelsector, die in het eerste kwartaal het diepst wegzakte, profiteert daar als eerste van.
Ook het herstel bij de oppervlaktebehandelende bedrijven laat zich verklaren. Als veelvoorkomende afrondende bewerkingsstap profiteert deze deelsector van het aantrekkende volume bij verspaners, constructiebedrijven en andere toeleveranciers. Veel van wat de keten produceert, gaat langs de finishing: het coaten, verzinken, stralen of anderszins afwerken van het product. Met de kortste werkvoorraad van alle deelsectoren wordt dat herstel bovendien als eerste zichtbaar. Dat de oppervlaktebehandeling sterk aan de eigen regio gebonden is (transport van werk naar lagelonenlanden is zelden rendabel), maakt de deelsector bovendien minder gevoelig voor buitenlandse concurrentie dan sommige andere schakels in de keten.
Dat onderhoud, service en installatie zich over de hele meetreeks de minst conjunctuurgevoelige deelsector toont, past bij de aard van het werk. Onderhoud is grotendeels contractgebonden en loopt door ongeacht de conjunctuur, terwijl structurele opgaven als de energietransitie en verduurzaming voor een gestage vraag zorgen. Bovendien geldt: wanneer bedrijven nieuwe investeringen uitstellen, moeten bestaande machines en installaties langer mee, wat de onderhoudsvraag eerder versterkt dan afremt.
<< De verschillen in herstel tussen deelsectoren blijven groot >>
Dat de machine- en apparatenbouw achterblijft, lijkt strijdig met de landelijke cijfers, waarin de machine-industrie juist veruit de grootste stijger is. Die tegenstelling is verklaarbaar. De landelijke groei wordt vrijwel volledig gedragen door de chipmachinesector en haar directe toeleverketen. De bredere machinebouw in het mkb bedient veelal andere markten, waarvan een deel onder druk staat door onder meer Amerikaanse invoerheffingen en toenemende internationale concurrentie. Ook in Duitsland, een belangrijke afzetmarkt voor Nederlandse machinebouwers, blijven traditionele afnemers als de automotive en de algemene machinebouw achter, al trok de totale orderinstroom er in het eerste kwartaal voor het eerst in drie jaar weer aan. Daar komt de factor tijd bij: machinebouwers werken met lange doorlooptijden, waardoor de omzet van dit kwartaal nog de zwakke orderinstroom van vorig jaar weerspiegelt. Waar het herstel in de keten doorzet, en de aangekondigde capaciteitsuitbreidingen in de chipmachinesector tot uitvoering komen, kan dit bij deze deelsector in latere kwartalen zichtbaar worden.
De plaatbewerking is, net als de oppervlaktebehandeling, bij uitstek kortcyclisch werk: veranderingen in de vraag worden er vrijwel direct zichtbaar. Het verschil zit in de afzetmarkten. Waar de oppervlaktebehandeling meelift op de aantrekkende metaalketen, leunt de plaatbewerking mede op markten die nog niet aantrekken, zoals de bouw. Landelijk ligt de productie van metaalproducten dan ook nog onder het niveau van vorig jaar. Zodra de vraag in die markten herstelt, zal dat in deze deelsector even snel zichtbaar zijn als de terugval nu.
Zoals elk kwartaal bevat de barometer naast de vaste vragen ook enkele vragen over de actualiteit. Dit kwartaal gaan die over de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten. Hoewel de acute escalatie en de daarmee samenhangende onzekerheid rond de Straat van Hormuz op het moment van uitvragen leken te zijn afgenomen, blijkt uit de antwoorden dat de gevolgen nog doorwerken in de bedrijfsvoering: 85 procent van de ondernemers ondervindt gevolgen. Gevraagd naar het gevolg met de grootste impact noemen ondernemers veruit het vaakst hogere inkoopprijzen van grondstoffen en materialen (41 procent), gevolgd door uitstel of afstel van opdrachten (12 procent), hogere energiekosten (9 procent) en omzetverlies (7 procent). De impact zit daarmee vooral aan de kostenkant. Verstoringen in de logistiek, zoals langere levertijden (6 procent) en beperkte beschikbaarheid van producten of grondstoffen (3 procent), worden door weinig ondernemers als grootste gevolg genoemd. Ruim een derde van de bedrijven heeft maatregelen genomen (20 procent) of verwacht dat alsnog te doen (17 procent); 63 procent ziet daarvoor geen aanleiding.
Herstel in binnen- en buitenland
De binnenlandse orderpositie verbeterde in het tweede kwartaal duidelijk. Van de respondenten meldt 29 procent een betere orderpositie dan in het eerste kwartaal, 48 procent ziet geen verandering en 22 procent een verslechtering. Het nettosaldo komt daarmee uit op +7 procent, tegenover -17 procent in het eerste kwartaal. Ook de waardering van de huidige binnenlandse orderpositie is per saldo positief: 44 procent beoordeelt deze als gunstig, tegenover 20 procent als ongunstig.
De export laat een nog sterkere omslag zien. Van de exporterende bedrijven (43 procent van de respondenten, met gemiddeld 39 procent van de omzet uit export) zag 30 procent de buitenlandse orderpositie verbeteren en 21 procent verslechteren: een nettosaldo van +9 procent, na twee negatieve kwartalen op rij en een saldo van -29 procent in het eerste kwartaal. De verwachtingen voor de export blijven bovendien per saldo positief (+6 procent). Dit spoort met het bredere beeld: het CBS meldde voor april groei van de goederenexport, met onder meer een grotere uitvoer van elektrotechnische machines en transportmiddelen.
<< De werkvoorraad terug op het niveau van vóór het eerste kwartaal >>
De werkvoorraad biedt houvast: de helft van de bedrijven heeft voor 8 weken of meer werk in opdracht. Daarmee is de werkvoorraad terug op het niveau van vóór het eerste kwartaal, toen deze kortstondig terugliep naar 6 weken. Daarbij zijn de verschillen tussen deelsectoren groot: machine- en apparatenbouwers hebben doorgaans meerdere maanden werk in portefeuille, terwijl deelsectoren met kortcyclisch werk, zoals oppervlaktebehandeling en plaatbewerking, op enkele weken zitten.
Bij het orderherstel past wel een kanttekening over de aard van de vraag. Volgens Nevi wordt de sterke ordergroei in de productiesector dit kwartaal mede gedreven door klanten die extra voorraden aanleggen vanwege verstoringen in internationale toeleveringsketens en die bestellingen naar voren halen om verwachte prijsstijgingen voor te zijn. Een deel van de orderinstroom weerspiegelt daarmee verschuivend inkoopgedrag in plaats van structureel aantrekkende vraag, en kan dus weer wegvallen zodra dit voorraadeffect is uitgewerkt. Ook het CBS tekent bij de recente productiegroei aan dat het nog te vroeg is om te beoordelen hoe structureel de stijging is. De werkvoorraad van doorgaans zo'n 8 weken biedt in dat geval een beperkte buffer, waarbij bedrijven met kort cyclisch werk een terugval het eerst zullen merken.
De verwachtingen voor de binnenlandse markt zijn vlak: 24 procent verwacht voor het derde kwartaal een toename, 25 procent een afname. Daarbij past een kanttekening: het derde kwartaal omvat de zomervakantie en wordt in de barometer doorgaans wat terughoudender ingeschat. De licht negatieve verwachting hoeft dus niet te duiden op een nieuwe terugval, maar laat wel zien dat het herstel van dit kwartaal nog niet is verankerd in de orderverwachtingen.