Bel mij terug

Zoek op trefwoord

Filter

Kies een categorie

Economische Barometer Q2 2026

MKB-maakindustrie krabbelt op: orders en winstgevendheid herstellen, maar de investeringen blijven op de rem

Na een somber eerste kwartaal laat de Economische Barometer over het tweede kwartaal van 2026 een duidelijke kentering zien. De binnenlandse orderpositie draait van een nettosaldo van -17 procent in het eerste kwartaal naar +7 procent, en de buitenlandse orderpositie verbetert nog sterker: van -29 naar +9 procent. Ook het bedrijfsresultaat herstelt: per saldo beoordelen meer ondernemers het resultaat als beter dan als slechter (+5 procent, tegenover -30 procent een kwartaal eerder) en het aandeel winstgevende bedrijven stijgt van 37 naar 45 procent. Tegelijkertijd is het herstel broos: de verwachtingen voor het derde kwartaal zijn per saldo licht negatief, de investeringsbereidheid blijft duidelijk negatief en de naweeën van het conflict in het Midden-Oosten werken nog altijd door in de inkoopprijzen.

Leeswijzer
De uitkomsten in deze publicatie zijn netto-saldi. Een positief saldo betekent dat meer ondernemers een verbetering melden dan een verslechtering; het zegt iets over de breedte van een ontwikkeling, niet over de omvang ervan

Voorzichtig herstel in een onzeker klimaat

Het tweede kwartaal van 2026 markeert een omslag: na een daling die begin 2025 inzette en in het eerste kwartaal van 2026 een dieptepunt bereikte, is het beeld op vrijwel alle gerealiseerde indicatoren (orders binnenland, orders buitenland, bedrijfsresultaat en winstgevendheid) verbeterd. Dit herstel is in het bredere sentiment nog niet zichtbaar. Volgens de Conjunctuurenquête Nederland daalde het ondernemersvertrouwen begin april scherp, naar -14,8 voor het totale bedrijfsleven; in de industrie was de daling met -10,9 minder sterk. Die enquête is echter afgenomen op hetzelfde moment als de uitvraag van onze barometer over het eerste kwartaal: midden in de geopolitieke onrust en vlak na het zwakke eerste kwartaal. Het herstel dat zich in de loop van het tweede kwartaal 

<< De machine-industrie produceerde in mei 26,3 procent
meer dan een jaar eerder >>

Ook de landelijke cijfers wijzen dit kwartaal op herstel. De industriële productie lag in april en mei bijna 5 procent hoger dan een jaar eerder, de sterkste groei sinds het najaar van 2022, en het volume van de goederenexport groeide in april met 4,4 procent. Die productiegroei is niet breed gedragen: de machine-industrie produceerde in mei 26,3 procent meer dan een jaar eerder, terwijl onder meer de industrie voor metaalproducten (-5,2 procent) en de transportmiddelenindustrie nog onder het niveau van vorig jaar liggen. Ook de Nevi PMI, de maandelijkse inkoopmanagersindex voor de Nederlandse productiesector, bevestigt het herstel: de index bereikte in mei met 55,9 het hoogste niveau in bijna vier jaar en bleef in juni met 55,5 vrijwel op dat niveau, ruim boven de grens van 50 die groei van krimp scheidt. Dat de omslag ook in de stemming doorklinkt, blijkt uit het producentenvertrouwen in de industrie: dat steeg in juni naar +1,3, eveneens het hoogste niveau in bijna vier jaar, met de elektrotechnische- en machine-industrie als meest positieve branche.

Verschillen tussen deelsectoren, naweeën Midden-Oosten

Achter het gemiddelde herstel gaan aanzienlijke verschillen tussen deelsectoren schuil. De verspanende toelevering en de oppervlaktebehandelende bedrijven springen er dit kwartaal positief uit. Ook onderhoud, service en installatie en de handel noteren per saldo een positief beeld. De machine- en apparatenbouw en de plaatbewerking delen daarentegen nog niet in het herstel.

Het herstel bij de verspanende toelevering past bij het beeld in de halfgeleiderketen. Nadat grote afnemers in die keten een periode minder inkochten, trekt de vraag sinds eind vorig jaar weer aan: grote toeleveranciers rapporteren sinds begin dit jaar een duidelijk herstel van de orderinstroom, en ook defensieopdrachten dragen bij aan de vraag naar toeleverwerk. ASML verhoogde medio juli bovendien zijn omzetverwachting en kondigde een forse uitbreiding van de productiecapaciteit aan, wat de vooruitzichten voor de keten verder ondersteunt. De verspanende deelsector, die in het eerste kwartaal het diepst wegzakte, profiteert daar als eerste van.

Ook het herstel bij de oppervlaktebehandelende bedrijven laat zich verklaren. Als veelvoorkomende afrondende bewerkingsstap profiteert deze deelsector van het aantrekkende volume bij verspaners, constructiebedrijven en andere toeleveranciers. Veel van wat de keten produceert, gaat langs de finishing: het coaten, verzinken, stralen of anderszins afwerken van het product. Met de kortste werkvoorraad van alle deelsectoren wordt dat herstel bovendien als eerste zichtbaar. Dat de oppervlaktebehandeling sterk aan de eigen regio gebonden is (transport van werk naar lagelonenlanden is zelden rendabel), maakt de deelsector bovendien minder gevoelig voor buitenlandse concurrentie dan sommige andere schakels in de keten.

Dat onderhoud, service en installatie zich over de hele meetreeks de minst conjunctuurgevoelige deelsector toont, past bij de aard van het werk. Onderhoud is grotendeels contractgebonden en loopt door ongeacht de conjunctuur, terwijl structurele opgaven als de energietransitie en verduurzaming voor een gestage vraag zorgen. Bovendien geldt: wanneer bedrijven nieuwe investeringen uitstellen, moeten bestaande machines en installaties langer mee, wat de onderhoudsvraag eerder versterkt dan afremt.
 

<< De verschillen in herstel tussen deelsectoren blijven groot >>


Dat de machine- en apparatenbouw achterblijft, lijkt strijdig met de landelijke cijfers, waarin de machine-industrie juist veruit de grootste stijger is. Die tegenstelling is verklaarbaar. De landelijke groei wordt vrijwel volledig gedragen door de chipmachinesector en haar directe toeleverketen. De bredere machinebouw in het mkb bedient veelal andere markten, waarvan een deel onder druk staat door onder meer Amerikaanse invoerheffingen en toenemende internationale concurrentie. Ook in Duitsland, een belangrijke afzetmarkt voor Nederlandse machinebouwers, blijven traditionele afnemers als de automotive en de algemene machinebouw achter, al trok de totale orderinstroom er in het eerste kwartaal voor het eerst in drie jaar weer aan. Daar komt de factor tijd bij: machinebouwers werken met lange doorlooptijden, waardoor de omzet van dit kwartaal nog de zwakke orderinstroom van vorig jaar weerspiegelt. Waar het herstel in de keten doorzet, en de aangekondigde capaciteitsuitbreidingen in de chipmachinesector tot uitvoering komen, kan dit bij deze deelsector in latere kwartalen zichtbaar worden.

De plaatbewerking is, net als de oppervlaktebehandeling, bij uitstek kortcyclisch werk: veranderingen in de vraag worden er vrijwel direct zichtbaar. Het verschil zit in de afzetmarkten. Waar de oppervlaktebehandeling meelift op de aantrekkende metaalketen, leunt de plaatbewerking mede op markten die nog niet aantrekken, zoals de bouw. Landelijk ligt de productie van metaalproducten dan ook nog onder het niveau van vorig jaar. Zodra de vraag in die markten herstelt, zal dat in deze deelsector even snel zichtbaar zijn als de terugval nu.
 
Zoals elk kwartaal bevat de barometer naast de vaste vragen ook enkele vragen over de actualiteit. Dit kwartaal gaan die over de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten. Hoewel de acute escalatie en de daarmee samenhangende onzekerheid rond de Straat van Hormuz op het moment van uitvragen leken te zijn afgenomen, blijkt uit de antwoorden dat de gevolgen nog doorwerken in de bedrijfsvoering: 85 procent van de ondernemers ondervindt gevolgen. Gevraagd naar het gevolg met de grootste impact noemen ondernemers veruit het vaakst hogere inkoopprijzen van grondstoffen en materialen (41 procent), gevolgd door uitstel of afstel van opdrachten (12 procent), hogere energiekosten (9 procent) en omzetverlies (7 procent). De impact zit daarmee vooral aan de kostenkant. Verstoringen in de logistiek, zoals langere levertijden (6 procent) en beperkte beschikbaarheid van producten of grondstoffen (3 procent), worden door weinig ondernemers als grootste gevolg genoemd. Ruim een derde van de bedrijven heeft maatregelen genomen (20 procent) of verwacht dat alsnog te doen (17 procent); 63 procent ziet daarvoor geen aanleiding.
 

Herstel in binnen- en buitenland

De binnenlandse orderpositie verbeterde in het tweede kwartaal duidelijk. Van de respondenten meldt 29 procent een betere orderpositie dan in het eerste kwartaal, 48 procent ziet geen verandering en 22 procent een verslechtering. Het nettosaldo komt daarmee uit op +7 procent, tegenover -17 procent in het eerste kwartaal. Ook de waardering van de huidige binnenlandse orderpositie is per saldo positief: 44 procent beoordeelt deze als gunstig, tegenover 20 procent als ongunstig.

De export laat een nog sterkere omslag zien. Van de exporterende bedrijven (43 procent van de respondenten, met gemiddeld 39 procent van de omzet uit export) zag 30 procent de buitenlandse orderpositie verbeteren en 21 procent verslechteren: een nettosaldo van +9 procent, na twee negatieve kwartalen op rij en een saldo van -29 procent in het eerste kwartaal. De verwachtingen voor de export blijven bovendien per saldo positief (+6 procent). Dit spoort met het bredere beeld: het CBS meldde voor april groei van de goederenexport, met onder meer een grotere uitvoer van elektrotechnische machines en transportmiddelen.

<< De werkvoorraad terug op het niveau van vóór het eerste kwartaal >>


De werkvoorraad biedt houvast: de helft van de bedrijven heeft voor 8 weken of meer werk in opdracht. Daarmee is de werkvoorraad terug op het niveau van vóór het eerste kwartaal, toen deze kortstondig terugliep naar 6 weken. Daarbij zijn de verschillen tussen deelsectoren groot: machine- en apparatenbouwers hebben doorgaans meerdere maanden werk in portefeuille, terwijl deelsectoren met kortcyclisch werk, zoals oppervlaktebehandeling en plaatbewerking, op enkele weken zitten.

Bij het orderherstel past wel een kanttekening over de aard van de vraag. Volgens Nevi wordt de sterke ordergroei in de productiesector dit kwartaal mede gedreven door klanten die extra voorraden aanleggen vanwege verstoringen in internationale toeleveringsketens en die bestellingen naar voren halen om verwachte prijsstijgingen voor te zijn. Een deel van de orderinstroom weerspiegelt daarmee verschuivend inkoopgedrag in plaats van structureel aantrekkende vraag, en kan dus weer wegvallen zodra dit voorraadeffect is uitgewerkt. Ook het CBS tekent bij de recente productiegroei aan dat het nog te vroeg is om te beoordelen hoe structureel de stijging is. De werkvoorraad van doorgaans zo'n 8 weken biedt in dat geval een beperkte buffer, waarbij bedrijven met kort cyclisch werk een terugval het eerst zullen merken.

De verwachtingen voor de binnenlandse markt zijn vlak: 24 procent verwacht voor het derde kwartaal een toename, 25 procent een afname. Daarbij past een kanttekening: het derde kwartaal omvat de zomervakantie en wordt in de barometer doorgaans wat terughoudender ingeschat. De licht negatieve verwachting hoeft dus niet te duiden op een nieuwe terugval, maar laat wel zien dat het herstel van dit kwartaal nog niet is verankerd in de orderverwachtingen.

Vacatures blijven openstaan, personeelsbestand beweegt nauwelijks

Het personeelsbestand van de deelnemende bedrijven is dit kwartaal per saldo vrijwel onveranderd. Bij het vaste personeel houden toename en afname elkaar precies in evenwicht (beide 14 procent), waar het saldo in het eerste kwartaal nog op -5 procent lag. Bij het flexibele personeel (uitzend- en inleenkrachten en zzp'ers) is per saldo sprake van een lichte krimp; daarmee krimpt de flexibele schil al ruim twee jaar vrijwel onafgebroken. Het gemiddelde deelnemende bedrijf telt 16,7 fte in vaste dienst en 3,2 fte flexibel.

<< Op elke 100 medewerkers in de sector staan ruim 6 vacatures open >>

Tegelijk blijft de vraag naar personeel onmiskenbaar aanwezig. Meer dan de helft van de bedrijven (56 procent) heeft op dit moment ten minste één vacature openstaan; deze bedrijven zoeken gemiddeld ruim twee medewerkers. Omgerekend staan er op elke 100 medewerkers in de sector ruim 6 vacatures open, een verhouding die al jaren vrijwel onveranderd is. Het tekort aan arbeidskrachten is met 46 procent opnieuw veruit de meest genoemde belemmering in de bedrijfsvoering; landelijk noemt volgens de Conjunctuurenquête van het CBS ongeveer 30 procent van de ondernemers dit als belangrijkste belemmering. De krapte tekent zich in de MKB-maakindustrie dus extra scherp af. Dit onderstreept het structurele karakter van de personeelsschaarste in de sector en het belang van blijvende inzet op instroom, opleiding en arbeidsproductiviteit.

Prijzen stabiliseren, winstgevendheid herstelt, investeringen blijven achter

De verkoopprijzen en -tarieven stegen in het tweede kwartaal bij 36 procent van de bedrijven, bleven bij 59 procent gelijk en daalden bij 5 procent. Vergeleken met het eerste kwartaal (40 procent stijgers, 11 procent dalers) is de prijsontwikkeling rustiger, maar ook eenduidiger: de prijsdalingen die in het eerste kwartaal opvielen, zijn grotendeels verdwenen. Dat is deels een seizoen effect: prijzen worden vooral aan het begin van het jaar herzien, waardoor het eerste kwartaal doorgaans meer beweging laat zien, in beide richtingen. Dat de prijzen ook daarbuiten per saldo blijven stijgen, past bij een markt waarin de vraag aantrekt en hangt vermoedelijk mede samen met de aanhoudend hogere inkoopkosten. Van de bedrijven die vanwege het conflict in het Midden-Oosten maatregelen hebben genomen of verwachten te nemen, kiest de helft voor het doorberekenen van de hogere kosten aan klanten; omgerekend is dat bijna een vijfde van alle respondenten. Andere genoemde maatregelen zijn het vergroten van voorraden en het aanpassen van investerings- of productieplannen.

Het bedrijfsresultaat profiteert zichtbaar. Per saldo beoordelen meer ondernemers het resultaat over het tweede kwartaal als beter dan als slechter ten opzichte van het eerste kwartaal (+5 procent, na -30 procent in het eerste kwartaal). Ook de waardering van het resultaat zelf is overwegend positief: 45 procent noemt het goed, tegenover 17 procent slecht. Voor het derde kwartaal zijn de verwachtingen per saldo licht negatief (-2 procent), waarbij het eerdergenoemde zomerseizoenseffect waarschijnlijk meespeelt.
 

<< Meer ondernemers beoordelen het resultaat
over het tweede kartwaal als beter >>

De winst-verliespositie van de respondenten verbetert duidelijk. Het aandeel winstgevende bedrijven stijgt van 37 procent in het eerste kwartaal naar 45 procent; het aandeel verlieslatende bedrijven daalt van 23 naar 16 procent en 39 procent draait break-even. Daarmee is de terugval van het eerste kwartaal goedgemaakt, maar in een langer perspectief blijft de winstgevendheid laag. Tot medio 2025 schreef jarenlang ruwweg zeven op de tien deelnemende bedrijven winst; sindsdien is dat minder dan de helft. Het herstel van dit kwartaal brengt de sector terug op het niveau van een jaar geleden, niet op dat van de jaren daarvoor.

De investeringsbereidheid blijft daarentegen laag. Veertien procent van de ondernemers verwacht het komende halfjaar meer te investeren in machines, tegenover 42 procent die minder verwacht te investeren: een nettosaldo van -28 procent. Dat is geen nieuw verschijnsel: het investeringssaldo is in de hele meetreeks negatief en ligt de laatste twee jaar structureel op een gedrukt niveau, ook in kwartalen waarin orders en resultaten verbeterden. Naar de achterliggende motieven vraagt de barometer niet, maar het beeld staat niet op zichzelf. Uit het onderzoek Branches in Zicht 2026 van accountantsorganisatie SRA, gebaseerd op ruim 7.000 mkb-jaarrekeningen, blijkt dat mkb-ondernemers hun investeringen uitstellen en in plaats daarvan financiële buffers vergroten, omdat de winstgroei achterblijft bij de gestegen personeels- en inkoopkosten. Verwachting en gerealiseerd gedrag wijzen daarmee dezelfde kant op. Dat is een zorgelijk signaal.

Metaalunie heeft in de strategische agenda de verhoging van de productiviteit van maak- en onderhoudsprocessen, via automatisering, digitalisering en slimmer werken, als speerpunt benoemd als antwoord op de structurele personeelsschaarste. Die ambitie vraagt om investeringen. Daarvoor zijn niet alleen vertrouwen en financiële ruimte nodig, maar ook een stabiel ondernemingsklimaat waarin investeren loont en ondernemers worden gestimuleerd om te vernieuwen.

Conclusie

De Economische Barometer over het tweede kwartaal van 2026 laat zien dat de MKB-maakindustrie het dieptepunt van het eerste kwartaal achter zich heeft gelaten. Orders herstellen in binnen- en buitenland, het bedrijfsresultaat verbetert en het aandeel winstgevende bedrijven neemt weer toe. De prijsontwikkeling stabiliseert en het personeelsbestand is per saldo op peil gebleven.

Tegelijkertijd is het herstel kwetsbaar en niet gelijk verdeeld. De verwachtingen voor het derde kwartaal zijn per saldo vlak tot licht negatief, al speelt het zomerseizoen daarin mee. En hoewel de winstgevendheid herstelt, ligt het aandeel winstgevende bedrijven nog altijd duidelijk onder het niveau van de jaren tot 2025. Ook tussen deelsectoren zijn verschillen waarneembaar: niet elke deelsector profiteert in dezelfde mate van het herstel. De gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten drukken bovendien nog op de inkoopkosten, en het tekort aan arbeidskrachten is met 46 procent opnieuw veruit de grootste belemmering aanzienlijk sterker dan in het bredere bedrijfsleven.
 

<< De sector bevindt zich in een fase van voorzichtig herstel >>

Per saldo bevindt de sector zich in een fase van voorzichtig herstel: de gerealiseerde cijfers kleuren weer positief, terwijl de verwachtingen voor het derde kwartaal voorzichtig blijven. De investeringsbereidheid blijft duidelijk negatief, zoals al enkele jaren het geval is, ook in betere kwartalen. Of de omslag doorzet, hangt in de eerste plaats af van het bestendigen van de orderinstroom in de tweede jaarhelft. Daarbij past terughoudendheid: een deel van de huidige ordergroei hangt volgens Nevi samen met voorraadopbouw en vervroegde bestellingen bij afnemers, en kan dus weer wegebben. Daarnaast blijft de vraag hoelang bedrijven de aanhoudend hogere inkoopkosten kunnen blijven doorberekenen.

Voor de agenda van Metaalunie en haar leden betekent dit twee dingen. Het structurele tekort aan arbeidskrachten maakt investeren in arbeidsproductiviteit, via automatisering, robotisering en digitalisering, urgenter dan ooit. Juist daarom verdient de aanhoudend negatieve investeringsverwachting aandacht. Daarnaast onderstrepen de doorwerkende kosten- en leveringsschokken het belang van een sterke gezamenlijke positie van de sector, van tijdige informatie over internationale ontwikkelingen tot belangenbehartiging waar kosten en regeldruk oplopen.

Contact

Stel je vraag via info@metaalunie.nl of bel ons op 030 - 605 33 44