Prijsdruk en verslechterend bedrijfsresultaat
Ondanks de zwakkere vraag blijven de verkoopprijzen per saldo stijgen. Veertig procent van de respondenten geeft aan dat de verkoopprijzen hoger liggen dan in het vorige kwartaal, terwijl 11 procent juist een prijsdaling meldt. Dat aandeel is ten opzichte van het vorige kwartaal met 4 procentpunt gestegen. Dit wijst erop dat prijsdalingen vaker voorkomen en dat de opwaartse prijsontwikkeling minder breed wordt gedragen, al kan hierbij ook sprake zijn van een seizoenseffect, aangezien prijzen aan het begin van het jaar vaker worden aangepast.
De stijgende verkoopprijzen hangen samen met hogere inkoopkosten, die bedrijven voor zover mogelijk doorberekenen aan klanten. In hoeverre deze doorberekening voldoende is om kostenstijgingen volledig te compenseren, verschilt per sector en type kosten. Tegelijkertijd beperkt de zwakkere vraag de ruimte om prijsstijgingen door te voeren, waardoor marges verder onder druk kunnen komen te staan.
Deze prijsontwikkelingen vertalen zich niet in betere resultaten. Integendeel: het bedrijfsresultaat wordt in dit kwartaal duidelijk negatief beoordeeld met een nettosaldo van -30 procent. Ondernemers ervaren daarmee duidelijke druk op hun rendement en zijn minder positief over hun resultaat dan in eerdere kwartalen.
Voor het komende kwartaal zijn de verwachtingen iets gunstiger: 29 procent van de respondenten verwacht een toename van het bedrijfsresultaat. Dit hangt waarschijnlijk samen met verbeterde verwachtingen voor zowel de binnenlandse als de buitenlandse orderpositie. Tegelijkertijd blijft het beeld gemengd, waardoor voorzichtigheid in de interpretatie op zijn plaats is.
Ook CBS-cijfers ondersteunen het beeld van toenemende margedruk. In het eerste kwartaal van 2026 bleef het ondernemersvertrouwen negatief en blijkt uit CBS-gegevens dat bedrijven in de industrie kostenstijgingen vaak slechts beperkt kunnen doorberekenen. Dit onderstreept de druk op marges binnen de sector. Tegelijk lagen de afzetprijzen van de industrie in februari 2026 2,3 procent lager dan een jaar eerder.
Dat lijkt op het eerste gezicht in tegenspraak met de barometer, maar kan deels worden verklaard door verschillen in meetmethoden en tijdshorizon. Waar de barometer de ontwikkeling ten opzichte van het vorige kwartaal weergeeft, betreffen de CBS-cijfers een vergelijking op jaarbasis. Dit wijst erop dat de sector wel prijsdruk ervaart, maar dat niet alle kostenstijgingen volledig kunnen worden doorbelast. Tegen deze achtergrond spelen externe kostenfactoren een steeds grotere rol in de verdere toename van de kosten- en margedruk binnen de sector. Tegelijkertijd kan een achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit de druk op marges verder versterken, doordat stijgende loonkosten niet volledig worden gecompenseerd door efficiënter werken.
Winstgevendheid verder onder druk
De ontwikkeling van de winstgevendheid bevestigt dit beeld. Het aandeel winstgevende bedrijven is sinds het tweede kwartaal van 2025 gedaald van 45 naar 37 procent. Tegelijkertijd is het aandeel bedrijven dat break-even draait toegenomen tot 40 procent en steeg ook het aandeel verlieslatende bedrijven van 18 naar 23 procent. Dit duidt erop dat de financiële ruimte binnen bedrijven afneemt en dat steeds meer ondernemingen moeite hebben om hun resultaten op peil te houden.
Ook uit de Conjunctuurenquête Nederland van het CBS blijkt dat de winstgevendheid eind 2025 al onder druk stond, ondanks dat ondernemers op korte termijn nog rekenden op meer investeringen. Recente CBS-cijfers laten bovendien zien dat de industriële productie in februari 2026 lager lag dan een jaar eerder, wat erop wijst dat de druk niet alleen zichtbaar is in het sentiment, maar ook in de feitelijke bedrijvigheid. De barometer bevestigt dat deze druk in het eerste kwartaal van 2026 in de praktijk onverminderd aanwezig is.
Externe kostenfactoren: CBAM
De stijging van de verkoopprijzen hangt mede samen met structurele veranderingen in materiaal- en regeldruk, waarbij CBAM een steeds grotere rol speelt.
Uit de barometer blijkt dat circa 24 procent van de ondernemers financieel en administratief wordt geraakt door CBAM. Binnen deze groep is de impact aanzienlijk: vrijwel alle getroffen bedrijven noemen effecten op de inkoopkosten.
Daarnaast geeft ongeveer de helft aan dat CBAM leidt tot meer administratief werk en gevolgen heeft voor de inkoopprocessen. Dit wijst erop dat de regeling vooral een gerichte, maar binnen die groep ingrijpende impact heeft.
Deze uitkomsten sluiten aan bij bredere marktontwikkelingen. CBAM verplicht importeurs van onder meer staal en aluminium om de CO₂-uitstoot van ingevoerde producten te rapporteren en in een latere fase hiervoor te betalen op basis van de Europese ETS-prijs. Deze verplichtingen kunnen doorwerken in de inkoopprijzen en, afhankelijk van de marktomstandigheden, deels in de keten worden doorberekend. De uiteindelijke impact is daarbij mede afhankelijk van de gehanteerde emissiewaarden en de mate waarin gebruik kan worden gemaakt van werkelijke emissiegegevens.
Daarnaast beperken handelsmaatregelen, zoals Europese importheffingen aan de buitengrens, de beschikbaarheid van goedkopere import en maken zij de markt krapper. Dit kan bijdragen aan opwaartse prijsdruk binnen Europa. De combinatie van hogere grenskosten, beperktere beschikbaarheid en oplopende regeldruk kan daarmee leiden tot hogere kosten in de staal- en aluminiumketen.
Materiaalkosten worden daarbij doorgaans grotendeels doorberekend in de verkoopprijzen, terwijl administratieve lasten en inefficiënties minder goed doorbelastbaar zijn en daardoor eerder op de marges drukken.
Externe kostenfactoren: conflict Midden-Oosten
Naast regelgeving versterken ook geopolitieke ontwikkelingen de druk op kosten, levertijden en prijsvorming. Met name spanningen in het Midden-Oosten werken door in energieprijzen, logistiek en de leveringszekerheid van materialen.
Uit de barometer blijkt dat 78,4 procent van de ondernemers aangeeft geraakt te worden door het conflict. Binnen deze groep noemt 94,2 procent hogere energie- en brandstofkosten als belangrijkste effect. Daarnaast ziet 75 procent dit terug in hogere verkoopprijzen en ervaart 58,3 procent langere levertijden van inkomende producten of grondstoffen. Dit wijst erop dat geopolitieke ontwikkelingen via meerdere kanalen doorwerken in de bedrijfsvoering.
Deze uitkomsten sluiten aan bij bredere marktontwikkelingen en geopolitieke risico’s. Spanningen rond belangrijke handelsroutes, zoals de Straat van Hormuz, kunnen leiden tot hogere energie- en transportkosten en tot meer volatiliteit in de internationale logistiek. Voor energie-intensieve sectoren zoals staal en aluminium kan dit doorwerken in hogere productie- en transportkosten.
De impact reikt daarbij verder dan alleen kosten. Dergelijke geopolitieke risico’s vergroten de kans op verstoringen in aanvoerketens, wat kan leiden tot vertragingen en onzekerheid over leveringen. Dit speelt met name in de aluminiumsector, die relatief afhankelijk is van productie- en transportstromen uit de Golfregio.
Ook wanneer de handelsroutes weer worden geopend, kan de situatie grillig blijven. Dit kan leiden tot schommelingen in levertijden en prijzen, wat de voorspelbaarheid voor bedrijven vermindert.
Daarmee kunnen geopolitieke spanningen de bestaande prijsdruk in de sector verder versterken. Hogere energie- en transportkosten worden daarbij vaak gedeeltelijk doorberekend in verkoopprijzen, terwijl een deel van de kosten, met name door onzekerheid en verstoringen, op de marges kan drukken.