Bel mij terug

Zoek op trefwoord

Filter

Kies een categorie

Economische Barometer Q1 2026

MKB-maakindustrie onder druk: marges krimpen ondanks stijgende prijzen

In het eerste kwartaal van 2026 laat de economische barometer een duidelijk somberder beeld zien dan in de voorgaande kwartalen. Het gemiddelde aantal weken werk in portefeuille is voor het tweede kwartaal op rij gedaald. Ondernemers ervaren toenemende druk op orders en bedrijfsresultaten, terwijl ook de investeringsverwachtingen verslechteren. Zowel bij de binnenlandse orderpositie als bij de export melden meer bedrijven een verslechtering dan een verbetering; de nettosaldo van de positieve en negatieve antwoorden komen uit op respectievelijk -17 en -29 procent.

​De verkoopprijzen stijgen per saldo nog steeds, al neemt de spreiding toe doordat meer bedrijven zowel prijsstijgingen als prijsdalingen melden. Tegelijkertijd verslechtert het bedrijfsresultaat en neemt de winstgevendheid af. Deze ontwikkelingen wijzen op toenemende druk op de marges binnen de sector. Hoewel bedrijven aangeven dat verkoopprijzen stijgen, wat vaak gebeurt in het eerste kwartaal, verslechteren de resultaten tegelijk. Dat wijst erop dat kostenstijgingen niet volledig kunnen worden gecompenseerd. Tegelijkertijd beperkt de afzwakkende vraag de ruimte om prijsverhogingen door te voeren, waardoor het rendement van bedrijven onder druk komt te staan.

Externe factoren versterken dit beeld. Voor de MKB-maakindustrie kan CBAM vooral doorwerken in hogere administratieve lasten en oplopende kosten voor koolstofintensieve importstromen, met name bij staal en aluminium. Geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten kunnen daarnaast leiden tot hogere energie- en transportkosten en tot extra onzekerheid in de toeleveringsketen.

 


Somberder economisch beeld
In het eerste kwartaal van 2026 laat de economische barometer onder ondernemers een duidelijk somberder beeld zien. Ondernemers beoordelen de economische situatie minder gunstig dan in voorgaande kwartalen. Vooral de druk op orders en resultaten neemt toe, terwijl ook de investeringsverwachtingen teruglopen.

Eind maart 2026 meldde het CBS dat het algemene conjunctuurbeeld in Nederland iets negatiever was geworden: in de Conjunctuurenquête Nederland presteerden 9 van de 13 indicatoren onder hun langjarige trend. Tegelijkertijd was het beeld bij het sentiment gemengd: consumenten waren negatiever dan een maand eerder, terwijl producenten juist minder negatief waren.

Tegelijkertijd liet het CBS in eerste instantie nog geen brede industriële terugval zien: de industriële productie lag in januari 2026 nog 1,1 procent hoger dan een jaar eerder. Dat wijst erop dat de economie als geheel nog enige veerkracht laat zien, terwijl ondernemers in de sector de verslechtering al nadrukkelijk ervaren.

Daling van orders en zwakke export
De verslechtering van de orderpositie vormt een belangrijke verklaring voor de negatieve stemming. Meer bedrijven rapporteren een afname dan een toename van de binnenlandse orderpositie ten opzichte van het voorgaande kwartaal, wat resulteert in een nettosaldo van -17 procent. Per saldo wordt dit als een negatieve ontwikkeling beoordeeld, al is er ook een aanzienlijke groep die geen verandering ziet. Voor het komende kwartaal is men iets minder pessimistisch dan voorheen, maar nog altijd wordt per saldo een lichte verdere afname verwacht.

De exportontwikkeling is nog ongunstiger. Zo meldt 43 procent van de respondenten die hebben aangegeven te exporteren een verslechtering van de buitenlandse orderpositie, tegenover 14 procent die een verbetering ziet. Daarmee komt het nettosaldo uit op -29 procent. Dit is al het tweede negatieve kwartaal op rij.

Ook de verwachtingen voor de nabije toekomst blijven onzeker: 20 procent verwacht een verbetering, terwijl 22 procent juist rekent op een verdere afname.

Deze terugval lijkt samen te hangen met een afzwakkende industriële vraag in belangrijke Europese afzetmarkten, met name Duitsland, dat een sleutelrol speelt in de export van de Nederlandse maakindustrie. Tegelijk blijft het herstel van de wereldhandel gematigd, wat de exportgroei beperkt. Voor met name kostengevoelige MKB-maakbedrijven staat daarnaast de concurrentiepositie onder druk door hogere energie-, materiaal- en loonkosten. Geopolitieke onzekerheid en terughoudendheid bij investeringen kunnen dit beeld versterken, waardoor nieuwe orders achter kunnen blijven.

Tegenover deze uitkomsten staat dat het landelijke CBS-beeld vooralsnog minder somber is. Het volume van de goederenexport lag in januari 2026 1,1 procent hoger dan een jaar eerder, al zijn er duidelijke verschillen tussen sectoren. Zo bleef de export van machines achter bij het gemiddelde. Tegelijkertijd steeg de omzet in de industrie als geheel in het vierde kwartaal van 2025 met 0,4 procent, waarbij de groei vooral werd gedragen door specifieke segmenten, zoals de elektrotechnische en machine-industrie (+3,8%). Dit lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar wijst erop dat de groei binnen de industrie niet breed gedragen is en vooral afkomstig is van specifieke bedrijven en toepassingen, terwijl andere delen, zoals de export van machines, juist achterblijven.

Dit verschil tussen de barometer en het landelijke CBS-beeld lijkt vooral te worden verklaard door de positie in de waardeketen. De groei in de export en industrie wordt in belangrijke mate gedragen door enkele grote, internationaal opererende bedrijven, zoals ASML, die een relatief groot aandeel hebben in de exportwaarde. Toeleveranciers in de MKB-maakindustrie profiteren hier minder direct van en zijn juist gevoeliger voor schommelingen in orders en investeringen van deze grotere spelers. Hierdoor kan het sentiment in de sector sneller verslechteren, ook wanneer de macro-economische cijfers nog een gematigd beeld laten zien.
 


Arbeidsmarkt blijft gemengd
Ook op de arbeidsmarkt is sprake van een gemengd beeld. De verhouding tussen vast en flexibel personeel blijft al jaren stabiel, met circa 90 procent van de medewerkers in vaste dienst en 10 procent in flexibel werk. Tegelijkertijd nam het aandeel bedrijven met een toename van vast personeel af; het nettosaldo daalde naar -5 procent. Ook bij flexibel personeel is sprake van een afname. Opvallend is dat het aandeel bedrijven met openstaande vacatures juist licht stijgt, van 44 naar 47 procent. Een verklaring is dat bedrijven vacatures openhouden vanwege de aanhoudende personeelsbehoefte, maar het daadwerkelijk aannemen van personeel vaker uitstellen door onzekerheid over de toekomstige orderportefeuille. Daarnaast kan ook vergrijzing een rol spelen. Door uitstroom van oudere werknemers kan het personeelsbestand afnemen, terwijl de vraag naar personeel blijft bestaan. Dit kan ertoe leiden dat vacatures langer open blijven staan, ondanks dat het aantal medewerkers niet toeneemt.

Ook in breder perspectief ontstaat hetzelfde gemengde beeld als in de barometer. Volgens de Conjunctuurenquête Nederland bleef het ondernemersvertrouwen in het eerste kwartaal van 2026 negatief, al verbeterde het wel van -4 naar -1,8 procent. Tegelijkertijd verwachtte een deel van de ondernemers een toename van de personeelssterkte. Die verwachting heeft echter betrekking op de korte termijn, aangezien het CBS de ontwikkeling in de afgelopen drie maanden en de verwachtingen voor de komende drie maanden meet. Dit sluit aan bij het beeld uit de barometer en wijst erop dat bedrijven personeel blijven zoeken, maar in de praktijk voorzichtiger zijn geworden. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Conjunctuurenquête Nederland een ander meetmoment kent: de afname van het vertrouwen vond al in januari plaats, dus vóór de recente geopolitieke spanningen.

Prijsdruk en verslechterend bedrijfsresultaat
Ondanks de zwakkere vraag blijven de verkoopprijzen per saldo stijgen. Veertig procent van de respondenten geeft aan dat de verkoopprijzen hoger liggen dan in het vorige kwartaal, terwijl 11 procent juist een prijsdaling meldt. Dat aandeel is ten opzichte van het vorige kwartaal met 4 procentpunt gestegen. Dit wijst erop dat prijsdalingen vaker voorkomen en dat de opwaartse prijsontwikkeling minder breed wordt gedragen, al kan hierbij ook sprake zijn van een seizoenseffect, aangezien prijzen aan het begin van het jaar vaker worden aangepast.

De stijgende verkoopprijzen hangen samen met hogere inkoopkosten, die bedrijven voor zover mogelijk doorberekenen aan klanten. In hoeverre deze doorberekening voldoende is om kostenstijgingen volledig te compenseren, verschilt per sector en type kosten. Tegelijkertijd beperkt de zwakkere vraag de ruimte om prijsstijgingen door te voeren, waardoor marges verder onder druk kunnen komen te staan.

Deze prijsontwikkelingen vertalen zich niet in betere resultaten. Integendeel: het bedrijfsresultaat wordt in dit kwartaal duidelijk negatief beoordeeld met een nettosaldo van -30 procent. Ondernemers ervaren daarmee duidelijke druk op hun rendement en zijn minder positief over hun resultaat dan in eerdere kwartalen.

Voor het komende kwartaal zijn de verwachtingen iets gunstiger: 29 procent van de respondenten verwacht een toename van het bedrijfsresultaat. Dit hangt waarschijnlijk samen met verbeterde verwachtingen voor zowel de binnenlandse als de buitenlandse orderpositie. Tegelijkertijd blijft het beeld gemengd, waardoor voorzichtigheid in de interpretatie op zijn plaats is.

Ook CBS-cijfers ondersteunen het beeld van toenemende margedruk. In het eerste kwartaal van 2026 bleef het ondernemersvertrouwen negatief en blijkt uit CBS-gegevens dat bedrijven in de industrie kostenstijgingen vaak slechts beperkt kunnen doorberekenen. Dit onderstreept de druk op marges binnen de sector. Tegelijk lagen de afzetprijzen van de industrie in februari 2026 2,3 procent lager dan een jaar eerder.

Dat lijkt op het eerste gezicht in tegenspraak met de barometer, maar kan deels worden verklaard door verschillen in meetmethoden en tijdshorizon. Waar de barometer de ontwikkeling ten opzichte van het vorige kwartaal weergeeft, betreffen de CBS-cijfers een vergelijking op jaarbasis. Dit wijst erop dat de sector wel prijsdruk ervaart, maar dat niet alle kostenstijgingen volledig kunnen worden doorbelast. Tegen deze achtergrond spelen externe kostenfactoren een steeds grotere rol in de verdere toename van de kosten- en margedruk binnen de sector. Tegelijkertijd kan een achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit de druk op marges verder versterken, doordat stijgende loonkosten niet volledig worden gecompenseerd door efficiënter werken.

Winstgevendheid verder onder druk
De ontwikkeling van de winstgevendheid bevestigt dit beeld. Het aandeel winstgevende bedrijven is sinds het tweede kwartaal van 2025 gedaald van 45 naar 37 procent. Tegelijkertijd is het aandeel bedrijven dat break-even draait toegenomen tot 40 procent en steeg ook het aandeel verlieslatende bedrijven van 18 naar 23 procent. Dit duidt erop dat de financiële ruimte binnen bedrijven afneemt en dat steeds meer ondernemingen moeite hebben om hun resultaten op peil te houden.

Ook uit de Conjunctuurenquête Nederland van het CBS blijkt dat de winstgevendheid eind 2025 al onder druk stond, ondanks dat ondernemers op korte termijn nog rekenden op meer investeringen. Recente CBS-cijfers laten bovendien zien dat de industriële productie in februari 2026 lager lag dan een jaar eerder, wat erop wijst dat de druk niet alleen zichtbaar is in het sentiment, maar ook in de feitelijke bedrijvigheid. De barometer bevestigt dat deze druk in het eerste kwartaal van 2026 in de praktijk onverminderd aanwezig is.

Externe kostenfactoren: CBAM
De stijging van de verkoopprijzen hangt mede samen met structurele veranderingen in materiaal- en regeldruk, waarbij CBAM een steeds grotere rol speelt.

Uit de barometer blijkt dat circa 24 procent van de ondernemers financieel en administratief wordt geraakt door CBAM. Binnen deze groep is de impact aanzienlijk: vrijwel alle getroffen bedrijven noemen effecten op de inkoopkosten.
Daarnaast geeft ongeveer de helft aan dat CBAM leidt tot meer administratief werk en gevolgen heeft voor de inkoopprocessen. Dit wijst erop dat de regeling vooral een gerichte, maar binnen die groep ingrijpende impact heeft.
Deze uitkomsten sluiten aan bij bredere marktontwikkelingen. CBAM verplicht importeurs van onder meer staal en aluminium om de CO₂-uitstoot van ingevoerde producten te rapporteren en in een latere fase hiervoor te betalen op basis van de Europese ETS-prijs. Deze verplichtingen kunnen doorwerken in de inkoopprijzen en, afhankelijk van de marktomstandigheden, deels in de keten worden doorberekend. De uiteindelijke impact is daarbij mede afhankelijk van de gehanteerde emissiewaarden en de mate waarin gebruik kan worden gemaakt van werkelijke emissiegegevens.

Daarnaast beperken handelsmaatregelen, zoals Europese importheffingen aan de buitengrens, de beschikbaarheid van goedkopere import en maken zij de markt krapper. Dit kan bijdragen aan opwaartse prijsdruk binnen Europa. De combinatie van hogere grenskosten, beperktere beschikbaarheid en oplopende regeldruk kan daarmee leiden tot hogere kosten in de staal- en aluminiumketen. 

Materiaalkosten worden daarbij doorgaans grotendeels doorberekend in de verkoopprijzen, terwijl administratieve lasten en inefficiënties minder goed doorbelastbaar zijn en daardoor eerder op de marges drukken.

Externe kostenfactoren: conflict Midden-Oosten
Naast regelgeving versterken ook geopolitieke ontwikkelingen de druk op kosten, levertijden en prijsvorming. Met name spanningen in het Midden-Oosten werken door in energieprijzen, logistiek en de leveringszekerheid van materialen.
Uit de barometer blijkt dat 78,4 procent van de ondernemers aangeeft geraakt te worden door het conflict. Binnen deze groep noemt 94,2 procent hogere energie- en brandstofkosten als belangrijkste effect. Daarnaast ziet 75 procent dit terug in hogere verkoopprijzen en ervaart 58,3 procent langere levertijden van inkomende producten of grondstoffen. Dit wijst erop dat geopolitieke ontwikkelingen via meerdere kanalen doorwerken in de bedrijfsvoering.

Deze uitkomsten sluiten aan bij bredere marktontwikkelingen en geopolitieke risico’s. Spanningen rond belangrijke handelsroutes, zoals de Straat van Hormuz, kunnen leiden tot hogere energie- en transportkosten en tot meer volatiliteit in de internationale logistiek. Voor energie-intensieve sectoren zoals staal en aluminium kan dit doorwerken in hogere productie- en transportkosten.

De impact reikt daarbij verder dan alleen kosten. Dergelijke geopolitieke risico’s vergroten de kans op verstoringen in aanvoerketens, wat kan leiden tot vertragingen en onzekerheid over leveringen. Dit speelt met name in de aluminiumsector, die relatief afhankelijk is van productie- en transportstromen uit de Golfregio.
Ook wanneer de handelsroutes weer worden geopend, kan de situatie grillig blijven. Dit kan leiden tot schommelingen in levertijden en prijzen, wat de voorspelbaarheid voor bedrijven vermindert.

Daarmee kunnen geopolitieke spanningen de bestaande prijsdruk in de sector verder versterken. Hogere energie- en transportkosten worden daarbij vaak gedeeltelijk doorberekend in verkoopprijzen, terwijl een deel van de kosten, met name door onzekerheid en verstoringen, op de marges kan drukken.
 

Conclusie
De economische barometer over het eerste kwartaal van 2026 laat zien dat de MKB-maakindustrie duidelijk onder druk staat. De orderpositie verslechtert zowel op de binnenlandse markt als op exportmarkten, het bedrijfsresultaat neemt af en de winstgevendheid daalt. Tegelijkertijd blijven verkoopprijzen per saldo stijgen, maar lukt het bedrijven steeds minder goed om kostenstijgingen volledig door te berekenen. Hierdoor neemt de margedruk toe en wordt de financiële ruimte binnen bedrijven kleiner.

In vergelijking met het landelijke CBS-beeld valt op dat de verslechtering in deze sector eerder en sterker zichtbaar is. Waar CBS-cijfers nog een gematigd beeld laten zien, ervaren bedrijven in de maakindustrie de terugval al concreet in hun orderpositie en resultaten. Dit verschil hangt samen met de positie van de sector in de waardeketen: toeleveranciers zijn gevoeliger voor schommelingen in vraag en investeringen dan grote, internationaal opererende bedrijven.

Per saldo blijft het beeld gemengd, maar overwegend somber. Bedrijven blijven personeel zoeken, maar zijn terughoudender in het daadwerkelijk aannemen van nieuwe medewerkers. Dit hangt samen met onzekerheid over de orderportefeuille en mogelijk ook met structurele factoren zoals vergrijzing.

Externe factoren versterken deze druk. CBAM kan bij een deel van de bedrijven leiden tot hogere kosten en administratieve lasten, terwijl geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten kunnen zorgen voor hogere energie- en transportkosten en meer onzekerheid in de toeleveringsketen. In combinatie met een afzwakkende vraag en beperkte ruimte voor prijsverhogingen vergroot dit de druk op marges en rendement.

Per saldo wijst de barometer erop dat de sector zich in een fase bevindt waarin kosten, onzekerheid en teruglopende orders zwaarder gaan wegen dan de ruimte om prijsstijgingen door te berekenen. Zonder herstel van de orderinstroom zal de druk op winstgevendheid en investeringen naar verwachting verder toenemen.

Contact

Stel je vraag via info@metaalunie.nl of bel ons op 030 - 605 33 44